Als je een waxinekaarsje aan steekt en er een glas overheen zet, zal het kaarsje uit gaan. Als je dat waxinekaarsje laat drijven op water terwijl je er het glas er overheen zet, zal het water in het glas stijgen. Op het internet zwerven er verschillende verklaringen voor dit fenomeen rond.
Het kaarsje verbruikt zuurstof, waardoor er een vacuüm ontstaat en het water omhoog wordt gezogen.
Het kaarsje verwarmt de lucht in het glas, waardoor de lucht uitzet. Wanneer de kaars dooft koelt de lucht af waardoor de druk afneemt en er water omhoog wordt gezogen.
Bij het verbranden van de kaars ontstaan er waterdamp en koolstofdioxide. De waterdamp condenseert aan de binnenkant van het glas, waardoor er minder gas in het glas is en de druk afneemt. Hierdoor wordt het water omhoog gezogen.
Voor dit expiriment zijn de volgende middelen gebruikt: Waxinekaarsje Aansteker Schoteltje met water Maatcilinder 450 mL Standaard voor het vasthouden van de maatcilinder
Procedure: Klem de maatcilinder in de standaard. Het waxinekaarsje is aangestoken en langzaam op het water gelegd. Het waxinekaarsje blijft zo drijven. Over het kaarsje wordt de maatcilinder geplaatst door het laten zakken van de maatcilinder in de standaard. Zorg ervoor dat de opening van de maatcilinder wel onder water blijft, maar de bodem niet raakt. Observeer wat er gebeurd en wacht totdat het kaarsje van zelf dooft. Til langzaam de maatcilinder op en laat het water terug in de schotel.
Herhaal dit expiriment maar verwarm eerst de lucht in de maatcilinder door de cilinder 20 seconde boven het kaarsje te houden, maar nog niet in het water te doen. Doe na de 20 seconde verder hetzelfde als in de procedure hiervoor geschreven staat.
Resultaten (observatie): Wanneer de maatcilinder over het kaarsje geplaatst wordt ontsnappen er bubbels onder de maatcilinder door. Het bubbelen stopt na ongeveer 2 seconde, hierna duurt het nog 7 secondes voordat het kaarsje zichzelf dooft. In de tijd dat de kaars brand en de maatbeker er overheen geplaatst is, ontstaat er condens in de maatcilinder. Nadat het kaarsje gedooft is stijgt het water in de maatbeker met 40 mL.
2e waarneming: Tijdends het opwarmen van de cilinder boven het kaarsje, ontstaat er al condense in de cilinder. Hierna wordt de cilinder over het kaarsje geplaatst met weer de opening onder water. Deze keer ontsnappen geen bubels onder de cilinder door. Verder neemt de condense binnen de cilinder niet verder toe. Na 1 seconde dooft het kaarsje weer van zelf en opnieuw stijgt het waterpijl 40 mL.
Conclusie: De eerste bewering is niet de voornaamste kracht achter het fenomeen. Dit blijkt uit het feit dat de waterspiegel eigenlijk amper stijgt aan het begin van de proef. De derde bewering is ook niet de voornaamste reden. Er is wel degelijk condensatie te zien, maar dit gebeurt al vrij snel in de proef, terwijl de waterspiegel nog vrij wel hetzelfde is. De tweede bewering is een stuk aannemelijker, er is aan het einde van de proef, als het waxinelichtje uit is gegaan, te zien dat de waterspiegel ineens enorm stijgt. Uit deze observatie is te concluderen dat de meeste stijging komt door lucht die afkoelt direct na het uitgaan van het waxinelichtje. Hierdoor daalt de druk in de maatcilinder en stijgt de waterspiegel